|
| |
Wegspringen
voor balontvangst
Uitgangshouding:
 | De speler staat in
spreidstand voor de korf, steunend op de voorvoeten, schouderlijn richting
korf. (In deze beschrijving de linkervoet het dichtste bij de korf). |
A. Verloop:
 | De speler wordt
aangespeeld van onder de korf, net voor balontvangst spring hij weg (laatste
voetcontact is links) en ontvangt de bal in zweeffase.
|
 | Tijdens de zweeffase
draait de speler het bekken in richting korf en komt neer op de linkervoet.
Vervolgens zet hij met de rechter voet een grote stap naar achteren. De
speler voerde dus een hink-stap uit.
|
 | Het achterste been
is gestrekt, in het verlengde van het lichaam.
|
 | Het achterste been
wordt nu gebogen, het voorste been komt van de grond, het lichaamsgewicht
verplaatst zich naar het achterste been.
|
 | Het lichaam is in
balans op het gebogen achterste been.
|
 | Het been wordt
tegelijk met lichaam en armen actief gestrekt.
|
 | De bal wordt langs
de neus omhoog geduwd, het andere been gaat tegelijk met de armen mee omhoog
in een hoek van +/- 90°.
|
 | Het shot wordt
ondersteund door een opsprong waarbij op hetzelfde been geland wordt op
dezelfde plaats.
|
B. Verloop:
 | De bal wordt
aangespeeld in de ‘open’ kant, de rechterkant, van de speler. Net voor
balontvangst spring de speler in de schouderlijn weg (laatste voetcontact is
met links) en ontvangt de bal in zweeffase.
|
 | Tijdens de zweeffase
draait de speler het bekken in richting korf en komt neer op de linkervoet.
Vervolgens zet hij met de rechter voet een grote stap naar achteren. De
speler voerde dus een hink-stap uit.
|
 | Het voorste been is
gebogen, het achterste been gestrekt. Het lichaam strekt zich in het
verlengde van het achterste been. Het lichaamsgewicht rust op het voorste
been.
|
 | Het lichaamsgewicht
wordt verplaatst naar het achterste been. Het achterste been wordt gebogen
en de voorste voet komt van de grond.
|
 | Het lichaam wordt
een fractie van een seconde in balans gehouden op de bal van de achterste
voet en het gebogen achterste been. (spanning in de kuit- en
quadricepsspieren).
|
 | De stootkracht en
versnelling wordt opgebouwd vertrekkend vanuit de bal van de steunvoet over
de romp, waar door een statische aanspanning van de buik- en rugmusculatuur
de versnelling wordt doorgegeven aan de armen, die de laatste component
inbouwen.
|
 | Samen met de
strekking van het steunbeen, wordt het lichaam en de armen gestrekt. Het
andere been volgt de armbeweging. (Het in de knie geplooide been wordt
opgeheven samen met de armstrekking).
|
 | Het uitstrekken van
de armen gaat gepaard met een binnenwaarts draaien van de schouders en een
deviatie van de pols naar de duim.
|
 | De bal wordt kort
langs de neus omhoog geduwd.
|
 | Op het einde van de
strekbeweging wordt er aan de bal een backspin meegegeven door het naar
buiten afrollen van de vingers (van pink naar wijsvinger). De polsslag geeft
een versnelling aan de bal.
|
 | Het shot wordt
ondersteund door een dynamische opsprong. We landen op dezelfde voet en op
dezelfde plaats. |
Foutenanalyse:
 | De speler springt te
vroeg of te laat weg nadat de bal wordt aangespeeld.
|
 | De stap achterwaarts
is te klein, dit zal leiden tot evenwichtsverlies naar achteren.
|
 | De stap achterwaart
is te groot, het rechtkomen vergt teveel kracht, het shot is geforceerd.
|
 | Het steunbeen wordt
niet gebogen, met een gestrekt been kan men de snelheid niet afremmen.
|
 | Het bekken wordt
niet voldoende ingedraaid.
|
 | De achterste voet
wordt volledig op de grond geplaatst.
|
 | Er is geen volledige
lichaamscontrole juist voor de eindfase van het shot.
|
 | Er wordt afgeremd
tijdens de hink in plaats van na de achterwaartse stap.
|
 | Een slechte coördinatie
tussen de beenstrekking, lichaamsstrekking en armstrekking is verstoord. Het
moet een mooie, vloeiende beweging zijn.
|
 | Het zwaaibeen wordt
niet geplooid of niet opgetrokken samen met de armactie.
|
 | De landing is niet
op dezelfde plaats als de afzet.
|
Afbeelding:

Terug
|