|
| |
Strafworp
Uitgangshouding:
 | De voeten staan in
een lichte spreidstand voorwaarts
|
 | De knieën zijn
lichtjes gebogen.
|
 | Het lichaamsgewicht
rust op het voorste been.
|
 | De bal wordt met
beide handen voor het lichaam gehouden ter hoogte van de heupen.
|
 | De vingers zijn
gespreid om de bal. De pinken wijzen naar beneden, de duimen schuin
opwaarts.
|
Verloop:
 | Het voorste been
wordt gestrekt, tegelijk helt het lichaam licht naar voorover.
|
 | De armen zijn
lichtjes geplooid en worden omhoog gebracht.
|
 | De bal wordt zo lang
mogelijk begeleid.
|
 | Het achterste been
fungeert als zwaaibeen. De bal moet gelost zijn vooraleer het zwaaibeen de
grond weer raakt.
|
Foutenanalyse:
 | De armen worden
onvoldoende gestrekt, waardoor de bal niet lang genoeg begeleid wordt en er
minder nauwkeurig kan gedoeld worden.
|
 | Eén van de armen
wordt krachtiger gestrekt dan de andere, waardoor de bal in een schuine baan
gaat.
|
 | Het zwaaibeen raakt
de grond vooraleer de bal gelost is (loopfout).
|
Afbeelding:
|