|
|
|
Oefenstof
Werpen
en vangen1 Oefening
1 De
leerlingen staan per twee over elkaar, zo’n 5m uit elkaar. De leerlingen
passeren met borstpassen over en weer. Belangrijk is dat de passen werkelijk op
borsthoogte komen. Besteed aandacht aan het werpen of het vangen, niet aan beide
tegelijk. Variaties:
Om ter snelste 30 passen geven zonder dat de bal valt.
Afstand vergroten (zonder te
forceren!) Oefening 2 Idem als oefening
1, maar de bal wordt iets hoger aangespeeld. Niet zo hoog dat men moet springen,
dus net boven het hoofd. Belangrijk is dat de leerling bij het vangen de duimen
goed achter de bal plaatst. De duimen staan iets dichter bij elkaar dan bij
oefening 1. Oefening 3 Idem als oefening
1, maar de bal wordt op kniehoogte aangespeeld. Nu zijn het de pinken die iets
dichter bij elkaar staan, en naar de grond wijzen. Oefening 4 De leerlingen
staan iets dichter bij elkaar. Ze geven botspassen naar elkaar. Geleidelijk
wordt de afstand vergroot. Erop letten dat de bal niet te hoog of te laag
aankomt bij de andere leerling. (Voor een juiste hoogte wordt de bal op +/- 2/3
van de totale afstand gebotst. Oefening 5 Een combinatie van
de vorige oefeningen. De leerlingen gooien afwisselend een hoge bal, een lage
bal, een borstpas of een botspas. Variatie: Bij al de vorige oefeningen kan men geleidelijk aan de afstand vergroten. Let wel steeds op dat de leerling niet geforceerd gaat werpen. Een correcte uitvoering primeert. Oefening 6 De leerlingen
zetten zich per twee. Eén leerling is werker, de andere aangever. De werker
komt vanaf ongeveer 10 meter aangelopen naar de aangever. Als de werker op
ongeveer 3 meter van de aangever komt wordt hij aangespeeld (met een borstpas),
hij stopt, speelt de aangever terug aan met een borstpas, en draait terug. Hij
loopt weer naar z’n beginpositie en begint opnieuw. Na tien keer wisselen de
leerlingen. Oefening 7 De werker staat op
3 meter voor de aangever die de bal in handen heeft. De werker loopt zijwaarts
drie meter naar links en wordt aangespeeld met twee handen. Hij speelt de bal
terug met twee handen en loopt nu zijwaarts naar rechts (6m). Hij wordt weer
aangespeeld. Na 30 seconden wisselen. Belangrijk is dat de aangever de bal in de
loop speelt van de werken. Ook moet erop gelet worden dat de werker een correcte
uitvoering blijft hanteren ondanks de fysieke inspanning. De leerlingen
staan weer per twee tegenover elkaar, de afstand mag iets groter zijn. De
spelers werpen naar elkaar met één hand en vangen met twee handen. Variaties: Om ter
eerste tot 30, zonder dat de bal valt.
De afstand verkleinen en werpen met
de slechte hand. Oefening 9 Idem als oefening
8 maar nu werpen de leerlingen met twee handen en vangen ze met één hand. De
vanger geeft aan welk hand. Leerlingen die hier vlot mee weg zijn kunnen ook al
proberen de bal te vangen op hun slechte hand. Oefening 10 Idem als oefening
9, maar de spelers werpen en vangen de bal nu met één hand. Variatie:
Voor de balvaardige leerlingen: Leerling 1 speelt steeds een diagonale pas (van
zijn rechterhand naar het rechterhand van de andere), leerling 2 speelt steeds
een pas rechtdoor (van zijn rechterhand naar de linkerhand van de andere). Oefening 11 De leerling
vangt de bal met één hand, pakt de bal over op z’n andere hand en passeert
terug. De andere leerling doet hetzelfde. Oefening 12 De
leerlingen blijven over en weer passeren maar maken het de ander moeilijk (niet
onmogelijk!). Ze geven af en toe een pas te hoog, te laag, te veel opzij. Het
werpen en vangen blijft met één hand gebeuren. Oefening 13 De leerlingen
staan over elkaar, niet te ver uiteen. Ze passeren naar elkaar achter hun rug
door. Belangrijk is dat ze het lichaam wat draaien (als er met rechts wordt
gegooid moet de linkerschouder het dichtst bij de medespeler zijn), de afstanden
bij deze oefening klein houden. Oefening 14 De leerlingen
spelen elkaar de bal in de sprong toe. Vlak voor het ontvangen van de bal
springt men op, men vangt de bal, speelt deze snel weer terug en landt pas
daarna op de grond. Steeds één werper en één speler die springt. Een lastige oefening waarbij het vooral op timing aankomt. De meeste leerlingen zullen te vroeg springen en daardoor geen tijd hebben om de bal terug te gooien. Voor kinderen met
weinig sprongkracht is deze oefening niet geschikt. Oefening 15 Idem als oefening
14 maar de bal wordt nu met één hand gevangen en terug geworpen. Oefening 16 Een werker, één
werper. De werker staat drie meter voor de aangever. De werker loopt zijwaarts
op zijn voorvoeten (spanning op de quadriceps en de kuiten) en wordt na +/- drie
meter aangespeeld op z’n buitenste hand. De bal wordt met één hand gevangen
en teruggespeeld. Vervolgens loopt de werker zijwaarts in de andere richting en
wordt na +/- zes meter aangespeeld op z’n andere hand. De werker houdt dit 30
seconden vol. Belangrijk is dat de werker voluit gaat maar toch de technische
uitvoering blijft verzorgen. Oefening 17 Idem als oefening
16, maar de werker pakt de bal over van z’n buitenste naar z’n binnenste
hand en speelt alzo de bal terug. Belangrijk is dat bij het verleggen van de bal
het lichaamsgewicht ook naar het binnenste been wordt verplaatst. Oefening 18 Idem als oefening
16, maar de bal wordt ‘creatief’ teruggespeeld. Achter de rug, met een
botspas, achter het hoofd, of nog iets anders. De actie moet wel functioneel
blijven. Oefening 19 De werker ligt
languit op de grond. De aangever zit gehurkt op drie meter voor de werker. De
werker werpt de bal steeds vanuit lig naar de aangever. De oefening is vooral
bedoeld voor rug-, buik- en bovenarmspieren. Oefening 20 De werker zit op
de grond met opgetrokken knieën en de aangever staat op 5 meter. De werker
vangt de bal, tikt de bal achter het hoofd liggend op de grond, komt weer in
zittende positie en gooit de bal terug. In feite dus sit-ups met bal. Oefening 21 De werker en de
aangever staan naast elkaar. De werker loopt op een rustig tempo weg en blijft
over zijn schouder kijken. De aangever werpt de bal in een boog over de werper
heen. De werker vangt de bal, pivoteert richting aangever en werpt de bal terug.
Na vijf maal wisselen van functie. Geleidelijk aan mag het tempo van de werker wat omhoog, zodat de pas van de aangever moeilijker wordt. Oefening 22 De leerlingen
zetten zich per vier. Twee leerlingen zetten zich achter elkaar, zeven meter
hier tegenover zetten de twee andere leerlingen zich achter elkaar. De leerling
met de bal speelt de bal met twee handen naar de leerling bij de andere kegel,
loopt de bal achterna en sluit aan bij de leerlingen bij die kegel. Variatie: om ter
eerste 50 maal passeren zonder dat de bal valt. Oefening 23 Idem als oefening
22, maar nu werpen met één hand. Hierbij kan de afstand wat vergroot worden. Variatie: Dezelfde
oefening, maar de leerlingen werpen nu met hun slechte hand. Oefening 24 Idem als oefening
23, maar de leerlingen vangen de bal nu ook met één hand. Oefening 25 De leerlingen
stellen zich op in een vierkant met een onderlinge afstand van ongeveer 7 meter.
Leerling 1 werpt de bal naar leerling 2, loopt achter de bal aan en krijg als
hij bijna bij leerling 2 is de bal weer teruggespeeld. Nu werpt hij naar
leerling 3 en doet daar hetzelfde. Vervolgens werpt hij naar leerling 4, loopt
ernaartoe, krijgt de bal aangespeeld, en werpt nu een lange diagonale pas naar
leerling 2. Nu is het de beurt aan leerling 2, leerling 1 neemt z’n
oorspronkelijke plaats weer in. Variatie: De
oefening wordt twee keer uitgevoerd, om ter snelste. De oefening in de andere richting laten uitvoeren. Oefening 26 De leerlingen
stellen zich weer op in een vierkant. Leerling 1 heeft de bal. Hij passeert de
bal naar rechts (leerling 2) en loopt naar links (leerling 4) en sluit hier
achter aan. Leerling 2 doet hetzelfde, … Variatie: Naar
links werpen en naar rechts lopen. |