Oefenstof Strafworp en doorloop

Oefening 1

De leerlingen worden gelijk verdeeld over alle beschikbare korven. De leerlingen nemen op de beurten een strafworp. Per paal om ter eerste aan tien geraken.

Oefening 2

De palen spelen weer tegen elkaar. De leerlingen nemen om de beurt een strafworp. Er wordt gespeeld om ter eerste tot tien. Als er gemist wordt moet er weer van nul gestart worden.

Oefening 3

De leerlingen nemen ieders 5 strafworpen. Wie geen 3 op 5 behaalde loopt een rondje rond alle palen.

Oefening 4

De palen nemen het tegen elkaar op. Er wordt gespeeld naar 20 strafworpen. Als er gescoord wordt heeft de ploeg een punt, als er gemist wordt gaat er een punt af.

Oefening 5

De palen nemen het weer tegen elkaar op. Op het startsignaal lopen de eerste leerlingen van elke paal een rondje rond alle palen. Als ze weer aan hun paal gekomen zijn nemen ze een strafworp. Ze blijven gooien tot ze gescoord hebben. Vanaf dat er gescoord is mag de volgende leerling vertrekken. De ploeg die eerst helemaal rond is heeft gewonnen.

Oefening 6

De leerlingen zetten zich op één lange rij achter elkaar. De eerste leerling neemt een strafworp. Als hij mist hoeft de tweede leerling niet te scoren. Als hij echter scoort moet de tweede leerling wel scoren. Zoniet ligt de tweede leerling eruit. Scoort ook de tweede leerling, dan moet ook leerling drie scoren om erin te blijven, enz.

Oefening 7

De leerlingen nemen strafworpen van achter de paal. Deze oefening is geschikt om de leerlingen meer in een boog te laten werpen.

Aanleermethode doorloopbal

Oefening 8 – 13 geven in verschillende stappen weer hoe de leerkracht het beste de doorloopbal aanbrengt.

Oefening 8

De leerling staat op drie meter van de korf met de bal in de hand. Hij zet twee passen en doelt vervolgens onderhands (zoals bij de strafworp). Voor het gemak zullen we er in oefening 8 –13 van uitgaan dat de leerling altijd begint met rechts.  Hier wordt dat dus: rechts,links, doelen. (Tijdens het doelen wordt het rechterbeen mee omhoog gebracht).

Oefening 9

De leerling staat weer op drie meter van de korf. In plaats van twee stappen zoals daarnet, maakt hij nu een sprong en zet dan een stap: Hij stoot af op z’n linkerbeen, landt op rechts, zet een stap met links en doelt. (terwijl het rechterbeen mee omhoog gaat).

Oefening 10

De leerling komt met de bal in de hand aangelopen richting korf. Op drie à vier meter van de korf stoot hij af op z’n linkerbeen, landt op z’n rechterbeen, zet nog een stap met links en doelt onderhands.

Oefening 11

De leerling staat klaar op 7 meter van de korf. Op 3 meter van de korf staat een andere leerling met de bal in de hand. Leerling 1 loopt in en stoot op drie à vier meter af op z’n linkerbeen. Tijdens de vluchtfase neemt hij de bal van het hand van de aangever (die de bal a.h.w. op een schoteltje legt). Hij landt op rechts, zet nog een stap met links en doelt onderhands.

Oefening 12

De leerling loopt in. Op drie meter voor de korf wordt hij vanonder de korf aangespeeld. Net voor balontvangst zet hij zijn sprong in met links. Hij ontvangt de bal in zweeffase en landt op z’n rechterbeen. Hij zet een stap met links en doelt onderhands. De leerling heeft nu een correcte doorloopbal uitgevoerd.

Oefening 13

De leerlingen nemen om de beurt een doorloper. Eén leerling verzorgt de rebound, een andere leerling is aangever. De leerlingen schuiven steeds door. Vooraleer er begonnen wordt met spelvormen moet iedereen de juiste techniek beheersen.

Oefening 14

De leerlingen worden verdeeld over alle palen. De palen nemen het tegen elkaar op. De leerlingen lopen om de beurt in. Per paal om ter eerste naar 15. Zorg er wel voor dat de leerlingen steeds moeten terugkeren rond een kegel, anders zal de afstand van de doorloopbal steeds verkleinen.

Oefening 15

De leerlingen lopen in langs alle kanten van de korf. Zowel langs voor, als langs achter als langs de zijkanten.

Oefening 16

De eerste leerling loopt zijwaarts op zo’n 8 meter van de korf. Hij wordt aangespeeld door de aangever onder korf. (Goed in de loop aanspelen). De leerling speelt de bal terug naar de aangever en loopt in voor een doorloper. De leerlingen schuiven door met de klok.

Oefening 17

De leerlingen zetten zich in twee rijtjes op zo’n 8 meter van de korf. Het ene rijtje schuin links voor de korf, het andere rijtje schuin rechts voor de korf. De bal is bij de eerste leerling van de rechtse rij. De eerste leerling van de linkse rij loopt in richting korf. Hij wordt aangespeeld vanuit het voorveld door de eerste leerling van de rechtse rij. (dus geen aangeef zoals de leerlingen het tot nu toe gewoon waren). Van zodra de pas gegeven is snelt de eerste leerling van de rechtse rij z’n bal achterna en vangt de rebound van de doorloper van de andere leerling. De bal wordt doorgespeeld naar de volgende twee leerlingen. De eerste twee sluiten achteraan aan. Links gaat naar rechts, en omgekeerd.

Oefening 18

Idem als oefening 17. De leerling van de linkse rij loopt in en krijgt de bal aangespeeld. In plaats van te doelen draait hij zich met z’n gezicht naar de leerling wie da pas gegeven had. Deze leerling was z’n bal achterna gelopen en maakt nu een doorloper. De twee leerlingen sluiten weer achteraan aan.

Oefening 19

Een goed oefening voor wanneer er slecht beschikking is over weinig palen is de zogenaamde V. De leerlingen zetten zich weer in twee rijtjes zoals in oefening 17. Eén leerling staat voor de korf als aangever. De eerste leerling uit de linkse rij loopt in en maakt een doorloper. Tegelijk loopt ook de eerste leerling van de rechtse rij in. Hij vangt de rebound van de doorloper. De leerling die de rebound gevangen heeft wordt nu aangever. De aangever loopt naar het linkse rijtje, de leerling die een doorloper maakte loopt naar het rechtse rijtje.

Oefening 20

De leerling vertrekt op tien meter van de paal met de bal in de hand. Hij werpt een hoge boogbal richting korf. Van zodra hij geworpen heeft snelt hij z’n bal achterna, hij vangt de bal en hij maakt een doorloper. Deze oefening is vooral geschikt voor het aanleren van de timing op de bal.

Oefening 21

Alle beschikbare palen worden in een grote cirkel gezet. (Of gewoon aan de buitenkanten van de zaal). Aan iedere paal staat een vaste aangever. De andere leerlingen beginnen met de klok mee doorlopers te maken aan alle palen. Na een paar rondjes wordt er gewisseld van aangevers.

Variatie: Leerlingen die in één rondje aan alle palen wisten te scoren mogen zich gaan omkleden.

Oefening 22

De leerlingen zijn verdeeld over de palen. De palen nemen het weer tegen elkaar op. Op het startsignaal lopen de eerste leerlingen van elke paal een rondje rond alle palen. Als ze weer aan hun paal gekomen zijn maken ze een doorloper. De ploeg die het eerste 5 doorloper scoort is gewonnen.

Oefening 23

De palen nemen het weer tegen elkaar op. De leerlingen nemen per paal om ter eerste 10 doorlopers. Als er gemist wordt moet er terug van nul worden begonnen.

Oefening 24

De leerlingen nemen per paal om ter eerste tien strafworpen en vervolgens 20 doorlopers.

Oefening 25

Een leerling zet zich op 10 meter voor de korf. Een andere leerling verdedigt. Een derde leerling staat voor de korf als aangever. De aanvaller loopt in een maakt een doorloper. De verdediger zit goed diep. Hij verdedigt eerst voluit mee, maar laat na een tijdje toch de aanvaller passeren. De aanvaller voelt al een beetje aan hoe hij het beste een verdediger passeert.

Terug