Oefenstof Shot

Oefening 1

De leerlingen verdelen zich aan de palen. De leerlingen nemen om de beurt een schot van op 4 meter. Geleidelijk aan kan de afstand vergroot worden. Na het schot gaat de leerling de rebound nemen voor het schot van de volgende.

Oefening 2

De palen spelen tegen elkaar. Per paal moeten er om ter eerste 10 schoten gescoord worden. Er moet wel op gelet worden dat de juiste techniek behouden blijft.

Oefening 3

Elke leerling neemt drie schoten na elkaar waarbij hij geleidelijk de afstand vergroot. Het schot moet wel steeds soepel te nemen zijn.

Oefening 4

Er worden vier kegels rond elke paal geplaatst. Een kegel voor en achter de paal en een kegel langs links en langs rechts. De eerste leerling neemt van aan elke kegel een shot, dus vier in totaal. Dan geeft hij de bal door aan de volgende leerling. Elk doelpunt telt voor één punt. Als er iemand 4 op 4 scoort komen er drie extra punten bij. De paal waar ze het eerst 15 hebben is gewonnen.

Oefening 5

De palen nemen het weer tegen elkaar op. De leerlingen zetten zich op een rijtje voor hun paal, op 5 meter afstand. De eerste leerling neemt een shot. Als hij scoort heeft de ploeg één punt. Als er twee leerlingen na elkaar scoren mag er verdubbelt worden. Scoort de volgende leerling dus ook, dan heeft de ploeg nu 1+1 punten, X2= vier punten. Scoort nu ook de derde leerling dan worden dit er vijf, maal twee = tien punten.

Oefening 6

De palen nemen het weer tegen elkaar op. De leerlingen nemen om de beurt een schot. De leerlingen roepen hardop hun doelpunten. Als er aan een andere paal gescoord wordt moeten alle andere palen weer van nul beginnen. De paal waar ze het eerst aan drie doelpunten zitten (zonder dat er dus ondertussen ergens anders gescoord werd) is gewonnen.

Oefening 7

De palen nemen het weer tegen elkaar op. De leerlingen nemen om de beurt een schot. Als er twee op vier gescoord wordt heeft de ploeg één punt. De ploeg die het eerste vijf punten heeft is gewonnen.

Oefening 8

Twee palen worden 7 meter uit elkaar gezet. Aan elke paal staat een ploeg. Om de beurt mag er iemand van elke ploeg gooien. Er wordt gegooid van aan de eigen paal. De ploeg die het eerste tien heeft is gewonnen. Als er een ploeg vijf heeft wordt er gewisseld van paal.

Oefening 9

De leerlingen vormen één lange rij achter elkaar. De eerste leerling staat op 7m van de korf. De eerste twee leerlingen hebben een bal. De eerste leerling neemt een shot, direct daarna mag ook de tweede leerling gooien. De leerlingen gaan zelf hun rebound vangen. Ze moeten blijven gooien tot er gescoord wordt. De eerste leerling moet zorgen dat hij scoort voor de tweede leerling, anders ligt hij eruit. Als hij gescoord heeft, werpt hij de bal door naar de derde leerling die op zijn beurt probeert de tweede leerling eruit te gooien. Leerling één sluit achteraan aan. Het eerste shot wordt steeds genomen van aan de 7m lijn. Daarna kiest de leerling zelf vanwaar hij doelt.

Oefening 10

De leerlingen vormen één lange rij achter elkaar. De eerste leerling staat op 5m van de korf. Als de leerling die voor jou in de rij staat scoort moet je ook scoren of je ligt eruit. De leerling die als laatste overblijft is gewonnen.

Oefening 11

De leerlingen zijn verdeeld over de palen. Een leerling staat op 6m van de korf met de bal. Een tweede leerling staat op een halve meter afstand van de balbezitter. De verdedigende leerling strekt zicht helemaal uit met de armen in de lucht. De aanvaller neemt een shot. Door deze oefening leert de leerling in een boog gooien i.p.v. een plat schot te nemen.

Aanleermethode Shot op één been1

De overgang van shot uit stand naar shot op één been is niet evident. Het dient aangeleerd te worden in verschillende stappen. Oefening 12 tot 18 geven weer hoe dit het beste gebeurt.

Oefening 12

De leerling staat om 3 meter van de korf met de bal in de hand. Hij zet een stap achteruit en komt tot shot zoals beschreven staat in 3.4.7.1. De afstand wordt nog zeer klein gehouden. Een juiste techniek primeert.

Oefening 13

De leerling staat op 3 meter voor de korf. Hij wordt aangespeeld van onder de korf. Tijdens balontvangst zet hij een grote stap naar achter en komt tot shot, zoals beschreven staat in 3.4.7.2. Ook hier blijft de afstand beperkt. Geleidelijk aan kan men de afstand vergroten als men ziet dat de techniek er niet onder lijdt.

Oefening 14

De leerling staat in spreidstand voor de korf, steunend op de voorvoeten, schouderlijn richting korf. (In deze beschrijving de linkervoet het dichtste bij de korf). Hij stoot af op z’n linkerbeen, springt weg van korf en landt weer op z’n linkerbeen. Tijdens de vluchtfase draait hij zijn lichaam in richting korf. Nadat hij geland is op z’n linkerbeen zet hij met z’n rechtervoet een grote pas naar achter. Hij duwt zich in balans op en veert een paar keer na op dezelfde plaats. Alle leerlingen doen deze oefening zonder bal een aantal keer, totdat ze deze hink-stap onder de knie krijgen.

Oefening 15

Idem als oefening 14. De leerling voert nu echter de oefening uit met een bal in de hand. Hij springt weg op links, draait z’n lichaam in, landt op links, zet een grote stap achteruit met rechts, duwt zich in balans op en komt tot shot. De leerlingen moeten inzien dat de grote stap achteruit met rechts net hetzelfde is als wat ze deden in oefening 12.

Oefening 16

Idem als oefening 14. De leerling vertrek weer zonder bal. Hij wordt aangespeeld van onder de korf. Net voor balontvangst springt hij weg en vangt de bal in zweeffase. Hij draait z’n lichaam in, landt op de afzetvoet en zet een grote pas achteruit. Hij duwt zich in balans op en komt tot shot. Dit alles staat beschreven in 3.4.7.3.

Oefening 17

Idem als oefening 16, maar geleidelijk aan vertrekt de leerling meer en meer vanuit een frontale positie.Tot hij uiteindelijk recht met z’n gezicht naar de korf begint. Hij wordt aangespeeld, springt recht achteruit weg net voor balontvangst en vangt de bal in zweeffase. Hij landt weer op z’n afstootvoet en zet met z’n andere been een grote stap achteruit. Hij duwt zich in balans op en komt tot shot.

Oefening 18

De leerling vertrekt op zo’n 7 meter voor de korf. Hij loopt in en op ongeveer op drie meter voor de korf wendt hij in een hoek van 90° naar links of rechts. (In deze beschrijving naar rechts). Hij loopt snel zijwaarts naar rechts, terwijl hij diep door de benen buigt (veel spanning op de quadriceps en de kuiten). Na een paar meter wordt hij aangespeeld van onder de korf. Net voor balontvangst spring hij recht achteruit weg op z’n linkerbeen. Hij vangt de bal in zweeffase en landt weer op z’n linkerbeen. Met z’n rechterbeen zet hij een grote pas achteruit, hij duwt zich op en komt tot schot. De leerling heeft nu een uitwijkbeweging + shot uitgevoerd. Dit alles staat beschreven in 4.7.4.

Oefening 19

De palen nemen het weer tegen elkaar op. Een leerling staat in aangeef, een andere in de rebound. De andere leerlingen lopen om de beurt in en maken een uitwijkbeweging + shot. Per paal om ter eerste tot 5.

Oefening 20

Een goed oefening voor wanneer er slecht beschikking is over weinig palen is de zogenaamde V. De leerlingen zetten zich weer in twee rijtjes voor de korf. Eén rij schuin linksvoor, de andere rij schuin rechtsvoor. Eén leerling staat voor de korf als aangever. De eerste leerling uit de linkse rij loopt in en maakt een uitwijk + shot. Tegelijk loopt ook de eerste leerling van de rechtse rij in. Hij vangt de rebound van het shot. De leerling die de rebound gevangen heeft wordt nu aangever. De aangever loopt naar het linkse rijtje, de leerling die het schot nam loopt naar het rechtse rijtje.

Oefening 21

Een leerling loopt in een maakt een uitwijkbeweging. Hij doet alsof hij tot shot komt maar op het laatste moment houdt hij in, hij speelt de aangever weer aan en hij maakt een doorloper.

Oefening 22

Idem als oefening 17. De leerling staat frontaal naar de korf gericht. De aangever staat onder korf met de bal in de hand. De aanvaller wordt aangespeeld en springt recht achteruit weg en komt tot shot. Na een tijdje wordt er een verdediger bij de aanvaller gezet. De verdedigt evenwel passief. De aanvaller leert meer en meer afstand te maken tijdens het wegspringen.

Oefening 23

De aanvaller begint in het voorveld, samen met een passieve verdediger. Onder de korf staat de aangever. De aanvaller loopt in, maakt een uitwijkbeweging, wordt aangespeeld en komt tot shot. De verdediger geeft een beetje druk maar heeft niet de bedoeling van de bal te blokkeren. Dankzij deze oefening leert de aanvaller een efficiënte uitwijkbeweging maken en hij leert nog meer afstand te maken tijdens het wegspringen.

Stilaan voert de verdediger de druk op, evenwel steeds zonder het schot te blokkeren.

Oefening 24

Een aanvaller en een verdediger staan in het voorveld, een andere leerling staat in aangeef onder korf. De verdediger gaat voluit nu. De aanvaller krijgt echter ook vrij spel. Hij mag een uitwijk maken en tot shot komen, of inhouden en de aangeef nog eens aanspelen en een doorloper maken. Hij mag ook doen alsof hij de bal krijgt aangespeeld om dan zonder bal naar binnen te lopen voor een doorloper. De aanvaller valt 30 seconden aan, dan wordt er doorgeschoven.

Het doel van deze oefening is dat de aanvaller leert het spel van zijn verdediger te lezen. Als de aanvaller wegspringt en tot shot wil komen, en hij ziet dat de verdediger komt aangestormd, dan speelt hij best nog eens de bal naar binnen om voor een doorloper te gaan. Komt de verdediger echter niet kort verdedigen dan is shot weer de beste optie. De verdediger zal het midden moeten zoeken tussen voldoende druk geven op het shot en toch nog controle hebben voor wanneer de aanvaller voor een doorloper gaat.

Variant: Om het nog moeilijker te maken kunnen er opties afgenomen worden van de aanvaller. Zo mag hij bijvoorbeeld geen doorlopers meer maken, hij mag enkel scoren uit shot.

Oefening 25

De palen nemen het op tegen elkaar. Per ploeg die het eerste 10 strafworpen, 20 doorlopers en 10 shots scoort is gewonnen.


Terug

1 Uit: Shottechniek, door Rudy Ramaekers.