|
|
|
Balvaardigheid - Werpen en Vangen
Dat
korfbal een ideale schoolsport is werd reeds besproken in de inleiding, echter
vaak ervaren de leerlingen dit jammer genoeg niet zo. Ze beheersen de technieken
te weinig, kennen de regels niet goed genoeg om tot veel spelplezier te komen.
Het is bij korfbal op school dan ook zeer belangrijk om geen stappen over te
slaan in de didactische opbouw, niet sneller te gaan dan de leerlingen aankunnen
en vooral nooit het spelelement uit het oog te verliezen. Mijn
jarenlange ervaring als jeugdtrainer, het regelmatig geven van korfbalkampen aan
niet-korfballers en enige ervaring met korfbal op school, geeft mij een zeker
inzicht in wat volgens mij de beste volgorde en methode is om korfbal aan te
brengen op schoolniveau, op zo’n manier dat de kinderen toch steeds
gemotiveerd blijven. Ik zal in dit hoofdstuk achtereenvolgens een aantal
korfbalvormen en didactische wenken beschrijven, in een methodische volgorde die
mij het meest aangewezen lijkt. Balvaardigheid
– werpen en vangen De
basis van iedere balsport blijft altijd een zeker balvaardigheid. Wie niet kan
werpen en vangen, wie geen passen kan geven, wie niet overweg kan met een bal,
zal nooit goed kunnen korfballen. De inleiding tot een les korfbal bestaat dan
ook vaak uit een deel werpen en vangen en balbehendigheid. Oefeningen
balbehendigheid en werpen en vangen zijn noodzakelijk, maar er moet wel op gelet
worden dat de les niet te statisch wordt. Na een tijdje kan men daarom
best overschakelen naar enkele werp- en vangspelen. Vooral in het lager
onderwijs zijn deze erg geschikt als lesbegin. Tien-passenspel
is hierbij een perfect beginspel. De leerlingen worden in twee ploegen verdeeld.
Een ploeg die het eerst tien passen na elkaar kan geven zonder dat de bal op de
grond valt of zonder dat een tegenstander de bal onderschept scoort één punt.
Dit spel is uitermate geschikt als basis voor korfbal omdat veel van de
elementaire regel van het korfbal ook hier reeds kunnen in verwerkt worden. Men
mag niet lopen met de bal, geen lichaamscontact toegelaten, met mag de bal niet
uit de handen slaan, … Bovendien kan de leerkracht tijdens een spel als dit al
perfect de leerlingen wijzen op hun ruimtegebruik. Meestal zullen de leerlingen
zich als een zwerm rond de bal bevinden. Even het spel stilleggen en de kinderen
hierop wijzen kan voor de leerlingen enorm verhelderend zijn. Het nadeel van
tien-passenspel is dat er niet kan gedoeld worden, en daarom gaat het bij
sommige leerlingen al snel vervelen. Er
zijn echter genoeg werp- en vangspelen waarbij er wel gedoeld wordt en die
dezelfde voordelen hebben als tien passenspel. Kegelbal,
waarbij de ene ploeg de kegels van de andere ploeg moet omver werpen. De kegels
staan op een bank in een afgebakende doelzone waar niemand mag inkomen. Ook hier
gelden de elementaire regels van het korfbal, met uitzondering van het verdedigd
doelen uiteraard. Plintbal,
waarbij er één speler in een afgebakend gebied op een plint staat. De
leerlingen kunnen een punt scoren door van buiten het afgebakend gebied hun
ploeggenoot op de plint aan te spelen. Kopbal, er wordt gespeeld naar twee grote doelen, aangeduid door twee kegels. De leerlingen mogen weer enkel passen geven, niet lopen of dribbelen met de bal. Een doelpunt kan enkel gescoord worden door de laatste pas binnen te koppen. Dit spel kan ook altijd op zeer veel enthousiasme rekenen van de voetballers in de klas. De mogelijkheden van dit soort werp- en vangspelen zijn eindeloos. Al deze spelen vormen een perfecte inleiding op een les korfbal. De
techniek die men best eerst aanleert in een les korfbal is het bovenhandse shot
uit stand. De meeste leerlingen zijn hier vrij snel mee weg (wel opletten dat
het geen basketshot wordt!) en na een korte technische inleiding kan er snel
overgeschakeld worden naar tal van spelvormen. Doelen om ter snelste,
verdubbelen, popcorn,… (voor een uitgebreide lijst van shotspelen zie
hoofdstuk 5.3). Wel moet er op gelet worden dat de leerlingen hun technische
uitvoering niet gaan verwaarlozen tijdens de verschillende spelvormen. De
twee volgende twee basistechnieken die aangeleerd worden zijn achtereenvolgens
de strafworp en de doorloopbal. De strafworp is een beweging die de meeste
leerlingen vrij snel beheersen en kan daardoor ook snel toegepast worden in tal
van spelvormen (eventueel gecombineerd met shotspelen). De doorloopbal
daarentegen is reeds iets moeilijker. Veel kinderen maken bij het uitvoeren van
een doorloopbal een loopfout. Deze techniek moet dan ook iets meer analyserend
aangebracht worden. Eerst zonder bal, om het juiste passenritme te pakken te
krijgen, en in een latere fase met bal. Het spelelement komt hier iets later dan
bij het shot of bij de strafworp. Als
de drie technieken eenmaal gekend zijn kan men na een inoefenfase (in
spelvormen) overgaan tot een eerste vorm van monokorfbal. Een vierde
techniek die aangeleerd kan worden aan de leerlingen is die van de uitwijkbal.
Hiervoor moeten ze echter reeds het bovenhands shot uit stand beheersen.
Persoonlijk ben ik geen voorstander van het aanleren van de uitwijkbal op het
niveau van het lager onderwijs. De meeste kinderen beschikken op die leeftijd
immers niet over voldoende kracht om tot een goede uitvoering van een shot op
één been te komen. Met als gevolg een fout, geforceerd shot. Men kan beter
wachten met de uitwijkbal tot in het secundair onderwijs. Als men toch al zou
overgaan tot de uitwijkbal in het lager onderwijs kan men best de leerlingen
niet op één been laten schieten, maar hen aanleren van een tweede voet bij te
plaatsen zodat de uitwijk gevolgd wordt door een shot op twee benen. Noot:
De uitwijkbal in het secundair onderwijs werd vroeger altijd aangeleerd nadat
het shot uit stand beheerst werd. De stap van een shot op twee benen naar een
shot op één been is echter te groot om in één keer aan te leren. Het korfbal
is de laatste 10 jaar enorm geëvolueerd op dit gebied. “Wegspringen op de bal
en afstand maken tijdens het shot” is de sleutel van het moderne korfbal.
Jammer genoeg wordt dit op school nog bijna nooit zo aangeleerd. Het enige wat
de leerlingen leren is een shot uit stand of een shot na uitwijk, waarbij ze
niet vrij geraken omdat ze bijna geen afstand creëren op hun shot. Dit leidt
ertoe dat de leerlingen korfbal als saai ervaren en de regel van het verdedigd
doelen vaak belachelijk vinden. Ze beschikken immers niet over de techniek om
zich zonder een aanvalsbeweging toch vrij te spelen. Korfbal is enorm geëvolueerd,
schoolkorfbal jammer genoeg nog niet. Het is echter perfect mogelijk om in het
secundair onderwijs de leerlingen reeds aan te leren hoe weg te springen op de
bal, hoe afstand te maken op een shot. Als ze deze techniek beheersen zullen ze
tijdens de wedstrijdvormen ook veel meer mogelijkheden hebben. De verdediger zal
het moeilijker krijgen, zal keuzes moeten maken, en hier kan de aanvaller dan
weer op reageren/anticiperen. Dan pas kan er begonnen worden met het aanbrengen
van korfbal zoals het nu gespeeld wordt. De progressie van een shot uit stand
tot een shot uit beweging werd reeds op een prachtige manier beschreven door
Rudy Ramaekers. In mijn hoofdstuk over de verschillende korfbaltechnieken kom ik
hierop terug en leg op een initieel niveau uit hoe deze progressie het best kan
aangebracht worden. De
eenvoudigste vorm van korfbal is monokorfbal[1].
Het terrein is hierbij niet ingedeeld in vakken. De hoogte van de korven kan
variëren al naargelang de vaardigheid van de leerlingen. Men kan zelf varianten
aanbrengen om bepaalde elementen te accentueren. Zo kan men verdedigd doelen al
dan niet toelaten, een doelpunt van een meisje voor twee laten tellen, iedereen
moet de bal raken alvorens er gescoord mag worden, de korf raken is één punt,
doelpunt is twee punten, … Het grote voordeel van monokorfbal is dat iedereen
deelneemt aan het spel. Nadeel is echter dat het vrij zwaar is, en dat een goed
opgebouwde aanval meestal niet voorkomt. In een latere fase is monokorfbal dan
ook minder geschikt. Buiten
het veranderen van regels kan men nog tal van varianten verzinnen op het
monokorfbal. Zo bijvoorbeeld het monokorfbal naar 4 korven³. Er wordt
ook gespeeld met twee ploegen. Elke ploeg heeft nu twee korven om naar te
scoren. Deze korven staan enkele meters uit elkaar. Deze vorm van monokorfbal is
vooral geschikt om het ruimte-inzicht en ruimtegebruik te verbeteren. De
aanvallers worden bovendien verplicht om hun aandacht over meer dan één korf
te verdelen. De verdedigers gaan keuzes moeten maken waarop de aanvallers dan
weer gaan reageren. Een
andere variant is het driehoeksmonokorfbal³. Hierbij wordt er in drie ploegen gespeeld. Iedere ploeg
verdedigt zijn eigen korf, en mag scoren in de twee andere korven. Variaties
hierop kan uiteraard zijn met nog meer palen, of zelfs met twee ballen in het
spel. Ook deze vormen zijn geschikt voor het verbeteren van ruimtegebruik. Zoals reeds vermeld is het nadeel van monokorfbal dat er meestal geen goede opbouw in de aanval zit. Als
het de bedoeling is om positiespel in te oefenen en al iets meer
wedstrijdgericht te werken kan men daarom beter overschakelen op éénvakskorfbal.
Hierbij wordt er reeds gespeeld in een 4-4 situatie, maar het is nog geen
wedstrijdvorm, er worden steeds specifieke opdrachten meegegeven. Zo kan men
bijvoorbeeld een verdedigend viertal de opdracht geven om vooral het shot te
gaan verdedigen, of juist om geen doorloopbal tegen te krijgen. Men kan
gedurende enkele minuten met het zelfde aanvallende viertal spelen en dan
wisselen van functie. Deze vorm is ook zeer geschikt om het positiespel bij te
schaven. Er kan ook al een licht spelelement aan toegevoegd worden, b.v. ieder
viertal krijgt drie aanvallen, als er een doelpunt wordt gescoord telt dat niet
als extra aanval. En dan kijken wie na drie aanvallen het meeste heeft kunnen
scoren. Een andere mogelijkheid van het éénvakskorfbal is het spelen met
ongelijke aantallen. Bijvoorbeeld een 3-4 situatie. De vier aanvallers zullen nu
moeten leren hun numerieke meerderheid zo goed mogelijk uit te spelen. Ze moeten
erop letten dat ze vooral de rebound steeds gaan winnen op deze manier. De
verdedigende partij zal er dan weer een manier moeten vinden om ervoor te zorgen
dat de aanvallende partij niet blijft aanvallen en dat de bal toch kan
onderschept worden, door na een shot de rebound te gaan aanvallen. Ook een 3-3
situatie of een 2-2 situatie is perfect mogelijk om te spelen, al is dit echter
meer geschikt voor de iets gevorderde korfballer. Deze vormen zijn vooral
geschikt om het verplaatsen na het spelen of doelen aan te leren. De
eindvorm waar naartoe gestreefd wordt is uiteraard het twee-vakkenkorfbal. Alle
regels gelden nu zoals in het echte korfbal. Er kunnen echter steeds nog lichte
wijzigingen aangebracht worden. Zoals bijvoorbeeld het wisselen van vak na twee
doelpunten, dit kan eventueel vervangen worden door om de vijf minuten wisselen
als blijkt dat er niet snel genoeg gescoord wordt. Ook het laten dubbel tellen
van een doelpunt van een meisje kan nog steeds. Twee-vakkenkorfbal is zowel
geschikt voor het basis- als het secundair onderwijs. Het
leren verdedigen is op schoolniveau misschien wel het moeilijkste aan korfbal.
Men verdedigt bij korfbal immers niet enkel individueel, maar ook met het ganse
vak. De verdedigers van de spitsen zijn afhankelijk van wat hun medeverdedigers
achter hun rug doen. Er moet vertrouwen zijn in de rest van het vak. Dit op
schoolniveau aanbrengen is haast onbegonnen werk. Daarom zal men vooral de 1-1
verdediging moeten aanleren op school. Iedereen is verantwoordelijk voor zijn
rechtstreekse tegenstrever. Bij
de 1-1 verdediging moet er vooral naar gestreefd worden dat de verdediger een
goede houding aanneemt. De verdediger volgt zijn aanvaller, steeds met ongeveer
een meter tussen. Hij buigt wat door de benen, zodat er voorspanning op de
bovenbenen is en hij constant klaar staat om snel te reageren. Hij mag niet
reageren op schijnbewegingen van de aanvaller. Enkel wanneer zijn rechtstreekse
tegenstrever wordt aangespeeld gaat hij gecontroleerd aansluiten in de
verdedigende houding. Belangrijk hierbij is dat de verdediger constant controle
heeft over zijn lichaam en in balans is. Gaat hij springen of ongecontroleerd
naar de aanvaller toe bewegen,dan maakt hij het de aanvaller zeer makkelijk om
hem te passeren. Het
verdedigen kan in een beginfase best aangeleerd worden zonder bal. De leerlingen
zetten zich per twee. Eén aanvaller, één verdediger. De aanvaller loopt
steeds de hele lengte van de zaal over, de verdediger loopt achteruit mee in
verdedigende houding en zorgt dat hij niet voorbijgelopen wordt door de
aanvaller.Belangrijk is dat de verdediger diep zit, en dat zijn twee voeten
steeds op de grond blijven, hij schuifelt als het ware achteruit. Eerst loopt de
aanvaller rustig, zonder te sprinten. Dan iets sneller. Vervolgens mag de
aanvaller reeds wat schijnbewegingen maken om de verdediger links of rechts
voorbij te lopen. Hierbij wisselt de verdediger steeds van voorste been. Wilt de
aanvaller hem langs rechts voorbij (bekeken vanuit het standpunt van de
verdediger) dan schuift de verdediger achteruit met z’n linkerbeen voor. Wilt
de aanvaller plots voorbij langs links, dan wisselt de verdediger snel en in
controle van voorste been. De verdediger zorgt altijd dat hij niet kan voorbij
gelopen worden langs zijn zwakke kant, namelijk zijn rugkant. Een
volgende stap is dat de aanvallers tempowisselingen gaan inlassen. Soms snel,
dan weer even stilvallen, dan weer snel. De
aanvallers mogen wel nog steeds maar voor en achteruit bewegen. Een volgende
stap is dat de aanvallers ook reeds een beetje links en rechts mogen bewegen,
zodat het nog moeilijker wordt voor de verdediger. Na
de aanleerfase zonder bal wordt er aan de palen geoefend. Ideaal is per drie aan
een paal, waarbij er één leerling aangeef is en de rebound vangt, één
aanvaller en één verdediger. In de praktijk is dit echter meestal niet
mogelijk wegens te weinig materiaal. In dat geval begint men ineens in een 3-3
of zelfs 4-4 situatie de verdediging in te oefenen. Bij
het aanleren van het aanvallen aan de leerlingen is het vooral belangrijk dat de
kinderen weten dat er verschillende functies te vervullen zijn in een vak.
Iemand moet de rebound innemen, iemand moet in steun komen als aangeef en de
twee anderen zijn de spitsen. Laat bij het begin van een aanval de leerlingen
even met vier rondspelen, zonder dat iemand de paalpositie gaat innemen.
Belangrijk is dat niet iedereen zomaar richting balbezitter loopt, maar dat er
een goed ruimtegebruik behouden blijft. Vervolgens gaat 1 leerling de
reboundpositie innemen. De andere aanvallers spelen nu verder rond met drie. Nu
is er één leerling die in aangeefpositie komt gelopen, liefst zo dicht
mogelijk bij de korf. Deze leerling wordt hierop aangespeeld. Er is nu een
rebound en een leerling met de bal in de handen als aangeef. De twee andere
leerlingen zijn nu de spits en moeten een aanvallende actie ondernemen. Bij
het maken van een aanvallende actie moet de leerkracht op de vele mogelijkheden
wijzen. Een aanvaller die alleen maar in en uit loopt wordt stereotiep en is
niet meer gevaarlijk. De mogelijkheden van de aanvaller zijn groot :
doorloopbal, wegtrekken voor het shot, uitwijk en shot, uitwijk en zonder
aangespeeld te worden ineens naar binnen voor een doorloopbal, twee uitwijken na
elkaar, … Belangrijk is dat de aanvaller niet op voorhand beslist wat hij gaat
doen, maar dat hij kijkt naar wat z’n verdediger doet. Als een verdediger niet
kort komt verdedigen moet de aanvaller niet kiezen voor de doorloopbal, de
verdediger heeft toch ruimte genoeg. In dat geval trekt de aanvaller achteruit
weg en wordt aangespeeld voor een shot. Komt de verdediger echter zeer kort
verdedigen dan kan er wel weer voor een doorloopbal gegaan worden, of voor een
uitwijk al naargelang hoe de verdediger reageert. |